Bouwbesluit

De overheid heeft een aantal wettelijke regels vastgesteld waaraan nieuwe gebouwen moeten voldoen. 
Aan bestaande gebouwen worden minder eisen gesteld dan aan nieuwe gebouwen. Voordat een gemeente een bouwvergunning mag afgegeven, moet de gemeente het bouwplan toetsen. Dit gebeurt door een ambtenaar van de afdeling Bouw & Woningtoezicht. Wanneer nieuwbouwplannen niet aan het bouwbesluit voldoen, mag er geen bouwvergunning worden afgegeven en mag er dus niet worden gebouwd . In veel gemeenten worden de nieuwbouwplannen slechts summier getoetst. 
Iedere burger kan zijn Gemeente aanspreken op dit toezicht.
Wanneer een bouwvergunning eenmaal is afgegeven kan een gemeente niet meer ingrijpen.

Steeds vaker zien we dat bij de entree van woningen en woongebouwen trappen en bordessen worden toegepast.
Ontwerpers verweren zich door zich te beroepen op het gelijkwaardigheidsbeginsel.
BAT heeft een notitie geschreven over het toepassen van het gelijkwaardigheidsbeginsel
Notitie  Begrip gelijkwaardigheid (laatste versie12 oktober 2006)
Downloaden ? Volg de instructie !

 
Overzicht met belangrijke eisen uit het BOUWBESLUIT 2003
NIEUWE WONINGEN
NIEUWE WOONGEBOUWEN
NIEUWE GEBOUWEN MET EEN PUBLIEKSFUNCTIE
Terug naar overzicht NIEUWE WONINGEN
Terug naar overzicht NIEUWE WOONGEBOUWEN

a. heeft aan de buitenkant een voorziening waarmee een signaal kan worden gegeven, dat in een niet_gemeenschappelijk verblijfsgebied van een op die toegang aangewezen woonfunctie waarneembaar is,

b. heeft een spreekinstallatie die vanuit een niet_gemeenschappelijke ruimte van een op die toegang aangewezen woonfunctie kan worden bediend en

c. kan vanuit een niet_gemeenschappelijke ruimte van een op die toegang aangewezen woonfunctie worden geopend.

Terug naar overzicht NIEUWE GEBOUWEN MET EEN PUBLIEKE FUNCTIE
Terug naar overzicht Gebouw met bijeenkomstfunctie voor alcoholgebruik
	Gebruiksoppervlak van meer dan 150 m2 (H 4 Afd 4.7§ 4.7.1 Tabel 4.34) een integraal toegankelijke toiletruimte minimaal 1,65 x 2,2 m (H 4 Afd 4.7 § 4.7.1 Art 4.38).

Terug naar overzicht Gebouw met voor aanschouwen sport
	Aantal  integraal toegankelijke toiletruimte minimaal 1,65 x 2,2 m (H 4 Afd 4.7 § 4.7.1 Art 4.38)?
Terug naar overzicht Gebouw met andere bijeenkomstfunctie
	Aantal  integraal toegankelijke toiletruimte minimaal 1,65 x 2,2 m (H 4 Afd 4.7 § 4.7.1 Art 4.38)?
Terug naar overzicht Gebouw met gezondheidszorgfunctie
	Aantal  integraal toegankelijke toiletruimte minimaal 1,65 x 2,2 m (H 4 Afd 4.7 § 4.7.1 Art 4.38)?
	Kleedruimte
	wachtkamer
Terug naar overzicht Gebouw met kantoorfunctie 
	Aantal  integraal toegankelijke toiletruimte minimaal 1,65 x 2,2 m (H 4 Afd 4.7 § 4.7.1 Art 4.38)?
Terug naar overzicht Gebouw met logiesfunctie 
	Aantal  integraal toegankelijke toiletruimte minimaal 1,65 x 2,2 m (H 4 Afd 4.7 § 4.7.1 Art 4.38)?
	Slaapruimte
	douche
Terug naar overzicht Gebouw met onderwijsfunctie 
	Aantal  integraal toegankelijke toiletruimte minimaal 1,65 x 2,2 m (H 4 Afd 4.7 § 4.7.1 Art 4.38)?
	Gymzaal kleedruimte douche
Terug naar overzicht Gebouw met sportfunctie 
	Aantal  integraal toegankelijke toiletruimte minimaal 1,65 x 2,2 m (H 4 Afd 4.7 § 4.7.1 Art 4.38)?
	kleedruimte 
	douche
Terug naar overzicht Gebouw met winkelfunctie 
	Aantal  integraal toegankelijke toiletruimte minimaal 1,65 x 2,2 m (H 4 Afd 4.7 § 4.7.1 Art 4.38)?

ARTIKELS UIT HET BOUWBESLUIT 2003
Bouwbesluit 2003 Artikel 1.1 
	woonfunctie: gebruiksfunctie voor het wonen;
	

Terug naar overzicht H 1 § 1.3 Art1.5
Aan een in het tweede tot en met zesde hoofdstuk gesteld voorschrift dat moet worden toegepast om te voldoen aan een met betrekking tot een bouwwerk of een gedeelte daarvan gestelde eis, behoeft niet te worden voldaan, voorzover anders dan door toepassing van dat voorschrift het bouwwerk of het betrokken gedeelte daarvan ten minste dezelfde mate van veiligheid, bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en bescherming van het milieu biedt, als is beoogd met het betrokken voorschrift.
	Toelichting (handboek Bouwbesluit)
	Doel
		De gelijkwaardigheidsbepaling is opgenomen om te voorkomen dat:
		1.	een op zich goede oplossing op formele grond niet zou zijn toegestaan;
		2.	te gedetailleerde voorschriften moeten worden gegeven;
		3.	bepalingsmethoden ook voor situaties moeten gelden waarvoor ze niet zijn ontwikkeld; en
		4.	prestatie-eisen moeten worden gegeven voor situaties die vrijwel nooit voorkomen.

	Het aantonen van de gelijkwaardigheid kan door:
		-	het overleggen van een erkende kwaliteitsverklaring; of 
		-	burgemeester en wethouders te overtuigen. 

	Overleggen van een erkende kwaliteitsverklaring
		De aanvrager overlegt een door de minister van VROM erkende kwaliteitsverklaring waaruit blijkt dat de gekozen oplossing voldoet aan Bouwbesluit 2003.

		Overtuigen van burgemeester en wethouders
		Een tweede mogelijkheid is om burgemeester en wethouders te overtuigen van de gelijkwaardigheid van de oplossing. Dit kan bijvoorbeeld op basis van:

	Toepassen
		Toepassing van de gelijkwaardigheidsbepaling betekent dat een prestatie wordt geleverd die gelijkwaardig is aan hetgeen de wetgever met het desbetreffende voorschrift beoogt.

H 2 Afd 2.4 § 2.4.1 Art 2.24
1	Een hoogteverschil tussen vloeren van verblijfsgebieden, verblijfsruimten, verkeersruimten, toiletruimten en badruimten of tussen een van die vloeren en het aansluitende terrein, dat groter is dan 0,21 m wordt overbrugd door een vaste trap of een vaste hellingbaan. 

H 2 Afd 2.6 § 2.6.1 Art 2.38
1	Een te bouwen hellingbaan die een hoogteverschil als bedoeld in paragraaf 2.4.1 overbrugt, kan veilig worden gebruikt. Er worden dus geen eisen gesteld aan hellingbanen die hoogteverschillen van minder dan 0,21 m overbruggen ? (beveiliging, vrije doorgang enz) ??

H 2 Afd 2.6 § 2.6.1 Art 2.40
Een hellingbaan als bedoeld in artikel 2.24, sluit aan de bovenzijde over de ten minste vereiste breedte aan op een vrije vloeroppervlakte van ten minste 1,4 m x 1,4 m.

H 2 Afd 2.6 § 2.6.1 Art 2.41
1	Een hellingbaan als bedoeld in artikel 2.24, heeft aan beide zijkanten een aaneengesloten afscheiding met een hoogte van ten minste 0,04 m boven de hellingbaan. 
2	Voorzover een zijkant van een hellingbaan als bedoeld in artikel 2.24, meer dan 1 m boven een direct naast de hellingbaan gelegen vloer ligt, is, in afwijking van het eerste lid, de boven de hellingbaan gemeten hoogte van de afscheiding ten minste 0,85 m. 
3	Een afscheiding als bedoeld in het tweede lid, heeft geen openingen met een grotere breedte dan 0,5 m. 
4	Tussen een afscheiding als bedoeld in het tweede lid, en de hellingbaan is de horizontaal gemeten afstand niet groter dan 0,05 m. 
5	Een afscheiding als bedoeld in het tweede lid, heeft tot een hoogte van 0,7 m boven de hellingbaan geen openingen met een breedte groter dan 0,1 m. 
6	Een afscheiding als bedoeld in het tweede lid, heeft, ter voorkoming van het overklauteren, geen opstapmogelijkheden tussen 0,2 m en 0,7 m boven de hellingbaan. 
7	In een gedeelte voor bezoekers, heeft een afscheiding als bedoeld in het tweede lid tot een hoogte van 0,7 m boven de hellingbaan geen openingen met een breedte groter dan 0,1 m. 
8	In een gedeelte voor bezoekers, heeft een afscheiding als bedoeld in het tweede lid, ter voorkoming van het overklauteren, geen opstapmogelijkheden tussen 0,2 m en 0,7 m boven de hellingbaan. 


H 2 Afd 2.6 § 2.6.1 Art 2.39
	Een hellingbaan als bedoeld in artikel 2.24, heeft een breedte van ten minste 1,1 m, een hoogte van niet meer dan 1 m en een helling van ten hoogste:

	a. 1:12 indien het hoogteverschil niet groter is dan 0,25 m, 
	b. 1:16 indien het hoogteverschil groter is dan 0,25 m, maar niet groter dan 0,5 m, en 
	c. 1:20 indien het hoogteverschil groter is dan 0,5 m.  

H 4 Afd 4.2 Art 4.4
1	Een woonfunctie met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2 heeft een toegankelijkheidssector. 
2	Een woonfunctie heeft een gemeenschappelijke toegankelijkheidssector, indien: 
	a.	de vloer van een verblijfsgebied in het woongebouw hoger ligt dan 12,5 m boven het meetniveau of 
	b.	het woongebouw een gebruiksoppervlakte heeft van meer dan 3 500 m2 die hoger ligt dan 1,5 m boven het meetniveau. 
3	Een gebruiksfunctie heeft een al dan niet gemeenschappelijke toegankelijkheidssector. Dit geldt niet indien de gebruiksoppervlakte van een gebruiksfunctie, vermeerderd met het totaal aan gebruiksoppervlakte van een of meer soortgelijke gebruiksfuncties gelegen op hetzelfde perceel, kleiner is dan de in tabel 4.3 aangegeven grenswaarde. 

H 4 Afd 4.2 Art 4.6
1	Een hoogteverschil van meer dan 0,02 m tussen vloeren die in een toegankelijkheidssector liggen is, onverminderd artikel 2.24, overbrugd door een lift of een hellingbaan. 
2	Indien het hoogteverschil tussen een vloer ter plaatse van de toegang van een woonfunctie gelegen in een woongebouw en de vloer ter plaatse van een toegang van een toegankelijkheidssector als bedoeld in artikel 4.18, eerste lid, groter is dan 0,02 m, is dat hoogteverschil, onverminderd artikel 2.24, overbrugd door een lift. 
3	Indien het hoogteverschil tussen de vloer ter plaatse van een toegang van een toegankelijkheidssector als bedoeld in artikel 4.18, tweede lid, en het aansluitende terrein groter is dan 0,02 m, is dat hoogteverschil overbrugd door een hellingbaan. 

H4 Afd 4.2 Art 4.7
1	De kooi van een lift als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, heeft een vrije vloeroppervlakte van ten minste 1,05 m x 1,35 m. 
2	De kooi van een lift als bedoeld in artikel 4.6, tweede lid, heeft een vrije vloeroppervlakte van ten minste 1,05 m x 2,05 m. 

H 4 Afd 4.3 § 4.3.1 Art 4.11
1	Een toegang van een ruimte, niet zijnde een toegang van een lift, heeft een vrije doorgang met een breedte van ten minste 0,85 m en een hoogte van ten minste de grenswaarde als aangegeven in tabel 4.10. Dit geldt uitsluitend voor: 
	a. een verblijfsgebied, 
	b. een verblijfsruimte, 
	c. een toiletruimte, 
	d. een badruimte, 
	e. een gemeenschappelijke opslagruimte voor huishoudelijk afval als bedoeld in artikel 4.59, 
	f. een ruimte voor het bereiken van een in dit lid genoemde ruimte, en 
	g. een ruimte voor het bereiken van een lift. 
2	De toegang van een lift heeft een vrije doorgang met een breedte van ten minste 0,85 m en een hoogte van ten minste 2,1 m. 

H 4 Afd 4.3 § 4.3.1 Art 4.12
1	Een verkeersroute die begint bij een toegang als bedoeld in artikel 4.11, heeft over de volle lengte een vrije doorgang met een breedte van ten minste 0,85 m en een hoogte van ten minste de grenswaarde als aangegeven in tabel 4.10. De breedte geldt niet voor een verkeersroute voor zover deze over een trap voert. 
2	Onverminderd het eerste lid, heeft een gemeenschappelijke verkeersroute over de volle lengte een vrije doorgang met een breedte van ten minste 1,2 m. 
3	Onverminderd het tweede lid, ontsluit ten minste een toegang van een woongebouw een gemeenschappelijke verkeersruimte die nabij die toegang, over een lengte van 1,5 m een vrije doorgang heeft met een breedte van ten minste 1,5 m. 
4	Onverminderd het tweede lid, sluit een toegang van een lift aan op een gemeenschappelijke verkeersruimte die nabij die toegang, over een lengte van 1,5 m een vrije doorgang heeft met een breedte van ten minste 1,5 m. 
5	Onverminderd het tweede lid, heeft een gemeenschappelijke verkeersruimte, over een lengte van 1,5 m een vrije doorgang met een breedte van ten minste 1,5 m. Deze eis geldt niet indien een rolstoelgebruiker vanuit die verkeersruimte zonder te keren het aansluitende terrein kan bereiken. 
6	In afwijking van het eerste lid, heeft een verkeersroute die in een toegankelijkheidssector ligt als bedoeld in artikel 4.4, derde lid, over de volle lengte een vrije doorgang met een breedte van ten minste 1,1 m. 

H 4 Afd 4.4 Art 4.16
1	Een te bouwen bouwwerk is zodanig, dat het bouwwerk door rolstoelgebruikers kan worden binnengegaan en verlaten.

H 4 Afd 4.4 Art 4.17
1	De vloer ter plaatse van ten minste een toegang van een woonfunctie heeft een hoogteverschil met, de vloer van een gemeenschappelijke verkeersruimte of het aansluitende terrein, dat niet groter is dan 0,02 m. 
2	De vloer ter plaatse van ten minste een toegang van een woongebouw heeft een hoogteverschil met het aansluitende terrein ter plaatse van die toegang, dat niet groter is dan 0,02 m. 
3	Een drempel in een toegang als bedoeld in het eerste en tweede lid, heeft ter plaatse van die toegang een hoogteverschil met een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of een aansluitende hellingbaan, dat niet groter is dan 0,02 m. 

H 4 Afd 4.4 Art 4.18
1	De vloer ter plaatse van ten minste een toegang van een toegankelijkheidssector heeft een hoogteverschil met het aansluitende terrein ter plaatse van die toegang, dat niet groter is dan 0,02 m. 
2	De vloer ter plaatse van ten minste een toegang van een toegankelijkheidssector heeft een hoogteverschil met het aansluitende terrein ter plaatse van die toegang, dat niet groter is dan 1 m. 
3	Een drempel in een vloer van een toegankelijkheidssector heeft een hoogteverschil met de aansluitende vloer, het aansluitende terrein of een aansluitende hellingbaan, dat niet groter is dan 0,02 m.  

H 4 Afd 4.4 Art 4.19
	Een woongebouw waarin de vloer ter plaatste van de toegang van een woonfunctie hoger ligt dan 3 m boven het meetniveau, heeft op elke bouwlaag een opstelplaats voor een lift. De oppervlakte van deze opstelplaats is afgestemd op het kunnen plaatsen van een lift die een liftkooi heeft met een vrije vloeroppervlakte van ten minste 1,05 m x 2,05 m.
		Toelichting (handboek Bouwbesluit)
		Bij het aangeven van een opstelplaats moet worden nagegaan of na realisatie van de lift het gebouw blijft voldoen aan de nieuwbouwvoorschriften van het Bouwbesluit. Dit is bijvoorbeeld niet het geval, als de opstelplaats zo is gesitueerd dat de liftschacht voor het enige raam van een verblijfsruimte zou komen te staan. Ook kan het aangeven van een opstelplaats tot gevolg hebben, dat bij het ontwerpen van de fundering rekening moet worden gehouden met de extra belasting, die ontstaat bij realisering van de lift.

H 4 Afd 4.7§ 4.7.1 Art 4.36
1	Ten minste een toiletruimte van een woonfunctie met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2 is integraal toegankelijk. 
2	Een woonfunctie gelegen in een woongebouw met een toegankelijkheidssector als bedoeld in artikel 4.4, zonder niet-gemeenschappelijke toiletruimte, heeft ten minste een gemeenschappelijke toiletruimte die integraal toegankelijk is. 
3	Ten minste een toiletruimte is integraal toegankelijk. 
4	Indien de gebruiksoppervlakte van een gebruiksfunctie, vermeerderd met het totaal aan gebruiksoppervlakte van een of meer gebruiksfuncties van dezelfde soort, gelegen op hetzelfde perceel, groter is dan of gelijk aan 400 m2, is het aantal integraal toegankelijke toiletruimten ten minste gelijk aan de getalwaarde van het aantal toiletruimten, bedoeld in artikel 4.35, vierde lid, gedeeld door tien, op een geheel getal naar boven afgerond. 
5	Indien de gebruiksoppervlakte van een onderwijsfunctie, vermeerderd met het totaal aan gebruiksoppervlakte van een of meer gebruiksfuncties van dezelfde soort, gelegen op hetzelfde perceel, groter is dan of gelijk aan 400 m2, is het aantal integraal toegankelijke toiletruimten ten minste gelijk aan de getalwaarde van het aantal toiletruimten, bedoeld in artikel 4.35, vierde lid, gedeeld door 35, op een geheel getal naar boven afgerond. 



H 4 Afd 4.7 § 4.7.1 Art 4.38
1	Een toiletruimte als bedoeld in artikel 4.35, eerste tot en met zesde lid, heeft een vloeroppervlakte van ten minste 0,9 m x 1,2 m. 

3	Een integraal toegankelijke toiletruimte heeft een vloeroppervlakte van ten minste 1,65 m x 2,2 m.